• jellejan@jjklinkert.nl

Gedichten – 2

Gedichten – 2

Op de snelweg


Het was druk op de A1 
naar Amersfoort. 

Links werd ik ingehaald
door de werkelijkheid.
Een vuige leugen trachtte mij
rechts te passeren.

Soms ging ik op mijn rem staan
om beter zicht te krijgen
op hen die mij voorgingen. 

Na Baarn slaakte ik
mijn banden en vloog verder,
laag over het asfalt.

In Amersfoort verschanste
ik mij achter schermen van geluid.

Daar liet ik mij langzaam 
vollopen.

Alles weer normaal.




In het klooster


Het is al donker als ik aankom.
De rode baksteen glinstert zwart –
het regent hard. Maar diep van binnen
het gebouw hoor ik al ijle stemmen.

De wind is niet gaan liggen deze nacht.
De kloosterlingen hebben nu hun eerste plicht
gedaan, maar ik wacht tot de tweede.
Dan voeg ik mij in stomme eenzaamheid
bij al die stille zielen in hun pijen.

En zonder teken of gebaar weerklinkt
het zingen van de mannen. Het is alsof 
de muren alle klank van duizend jaar
heel langzaam laten dalen van hoog
naar hier beneden, waar ik zwijgend wacht.


En later kom ik weer. En weer. Zo schrijden
alle dagen voort met trage passen. De mannen
zingen. En ik wacht, naast God
die stil als ik te zwijgen zit, op dingen 
die wellicht niet komen gaan.

Het is weer donker als ik ga. Het
regent nog, de zwarte muren druipen
en ik hoor diep van binnen in mij nog
die mannen zingen.


Kruisiging


daar komt de kruistocht 

mannen dragen staken 
vrouwen stokken

ze schreeuwen kille verzen
om zich heen gedichten
hard als staal

voorop loopt vrouwe eenoog
ze huilt en wijst
en pakt de spijkers uit
de spijkertas

hoor ik muziek? Of is dit
het geluid van water 
op weg naar het
riool?

er is geen schaduw daar
de zon is verontwaardigd weg-
gegaan ik sta en zie

hoe zij de spijker in de palm slaat
hij haar zegent met zijn
gave hand
Kom liefde, kom!


Eens maakte ik een kleine sprong.

De dag was pas begonnen, 
de zon riep: ja, ik kom al! 
Kleedde zich haastig aan, 
dronk een kop thee en ging
op weg.

Zo kwam ik op de rand van schijn
en wezen.  Alles was vaag en vloeibaar
en ikzelf zong, om mij te beschermen
tegen wat ik niet kon vatten:

kom liefde, kom!

Maar alle wezens daar keerden zich af
van mij. Niets moesten ze. Maar zie, de zon
straalde mij toe en zei: ’t is koffietijd! 
Doe mij nog maar een vers!
Jij bent de zinger die ik min! 

En legde zich goedsmoeds te rusten 
in een wolk.

Dus maakte ik een kleine sprong terug.
Daar stond ik weer op rotsen en kasseien.
Stevige grond! Geen schijn van kans
op onzin. 

Maar toch zei tegen mij de zon,
wakker geworden, met een lach: 
zing door! heb lief! 
En ik zong weer:

kom liefde, kom!



Eva


De wereld is zo woest. Zij leeft
ontledigd in het land en zoekt
naar nieuwe onbegane wegen.

Is er al licht? Het paradijs is ver.
De dieren zijn maar net gescheiden
van de grond. De zon baart nu de maan.
De slang is nog een vraag zonder
verhaal.

Maar hij is al getrokken uit
haar schoot. Zij al ontstaan uit
zijn gebeente. Het woeste land
draagt beiden in zijn handen.
Zij weten van elkaar en van het al 
waarin zij onbegrensd bestaan.

Dan zal de zon de maan beminnen.
De zee liefkoost het land. En zelfs de 
sterrenhemel kust de verre aarde.

En alle wegen die zij vindt of niet,
gewezen door de slang, de zon,
de maan, de zee en alle sterren –

op al die wegen dwaalt zij zoekend,
en soms bevend als haar overmoed
haar angstig naar ravijnen drijft,

op al die wegen dwaalt zij eenzaam
en ontheemd

hem tegemoet.





Naar gedichten – 1

Naar gedichten – 3

Naar bundels

Terug naar Dichten